Limenitis camilla
Inhoud |
IJsvogelvlinder
Vrij grote zwarte vlinder met een brede witte band over de vleugels, een bewoner van vochtige loofbossen in gematigde klimaten en komt voor van zuidoost Engeland tot Japan. Ter onderscheiding met verwante soorten wordt de ijsvogelvlinder aangeduid met de naam kleine ijsvogelvlinder, in Engeland met de naam white admiral.
BIOLOGIE
Levenscyclus: de vlinders verschijnen in een generatie per jaar en vliegen in de periode van midden juni tot begin augustus. De overwintering vindt plaats als klein rupsje verscholen in een zelfgemaakt overwinteringhuisje (hibernaculum) van een op maat afgebeten en samengesponnen blad van de voedselplant. Het rupsje hervat het eten in het voorjaar zodra de kamperfoelie weer in blad staat en is eind mei volgroeid en verpopt.
Voortplanting: de vlinders leven twee tot drie weken en de vrouwtjes kunnen gedurende die periode zo’n 180 eitjes afzetten. Van dit aantal bereikt gewoonlijk minder dan 10% het vlinderstadium in het volgend jaar. De vlinders voeden zich met nectar van bloeiende braam, sap van rottend afval en drinken water op vochtige bodem en op deze manier worden de voedingstoffen vergaard die nodig zijn voor de ontwikkeling van de eitjes in het vlinderlichaam.
Veldobservaties: de soort wordt vooral aangetroffen in de provincies Overijssel, Gelderland, Limburg en het oostelijk deel van Brabant. De vlinders worden nimmer in grote aantallen bijeen gezien, meestal als individuele vlinder of hoogstens in aantallen van drie tot vijf vlinders op een bloeiende braamstruik op een beschutte plek in het bos of aan de bosrand. De eitjes en rupsen worden aangetroffen op laag bij de grond groeiende struiken van kamperfoelie (Lonicera periclymenum) en in het buitenland ook op rode kamperfoelie (Lonicera xylosteum). De jonge rupsjes vertonen een opvallend gedrag door als rustplaats de punt van de kaalgegeten hoofdnerf van het blad te kiezen, een stadium waarin de rupsjes het gemakkelijkst te vinden zijn door iemand die er gericht naar zoekt.
Kweekervaringen: de rupsen vertonen gedurende hun gehele activiteitsperiode een opvallende gedrag van in een gekromde houding om de nerf van het blad en in het voorjaar om de stengel van de plant te rusten waardoor de eerste aanblik de indruk wekt dat dit een verdord stukje blad is. De rups heeft in het laatste stadium een geraffineerde schutkleur en ziet er van dichtbij dreigend uit met vervaarlijke stekels. De pop hangt aan de achterlijfspunt aan een stengel en is van een bizarre vorm en opvallend gekleurd met zwarte, helder groene en zilver glanzende delen.
De gemeten duur van de verschillende ontwikkelingsstadia bedraagt:
ei: gemiddeld 8 dagen
rups: in totaal 330 dagen, waarvan voedingsactiveit in de zomer gemiddeld 17 dagen en in de voorzomer van het volgend jaar 29 dagen
pop: 16 dagen
vlinder: levensduur 20 dagen (mannetjes 16 dagen, vrouwtjes 23 dagen)
Bijzonderheden: zelden treedt er een tweede generatie op waarvan de vlinders eind augustus of begin september verschijnen. De ontwikkeling van ei tot vlinder duurt in dat geval bij de zomerse temperaturen ongeveer 50 dagen.
ECOLOGIE
Voeden: de rups is monofaag en leeft van blad van kamperfoelie (Lonicera sp), verdeeld over twee seizoenen, de zomer en voorzomer van het volgend jaar. De vlinder drinkt zowel nectar uit bloemen als van zoete of eiwithoudende sappen van rottend afval.
Afweren: tolerantie voor ontberingen is laag en daardoor aangewezen op milde locatie zoals open plekken in een vochtig bos op rijke bodem. Dit zijn tevens locaties waar een hoge activiteit van insectenetende vogels te verwachten is die naar allerlei rupsen zoeken. Door schaars present te zijn en door een sterk afwijkend uiterlijk in vergelijking tot de algemeen voorkomend type rupsen, ontsnappen de rupsen van de ijsvogelvlinder aan de aandacht van insectenetende vogels.
Afstemmen: de ontwikkelingscyclus is afgestemd op de perioden in de groeicyclus van de waardplant waarin het blad een hoge voedingswaarde heeft en de vliegperiode van de vlinders plaatsvindt gedurende hoog zomer.
Verkennen: de mannetjes verkiezen als verblijfplaats een kleine, markante open plek in het bos of aan de bosrand, de vrouwtjes ondernemen speurtochten over grote afstanden op zoek naar geschikte locaties voor het afzetten van de eieren, de plekken met laag bij de grond groeiend kamperfoeliestruweel gelegen in de halfschaduw.
Strategie: leven in een lage populatiedichtheid en zich op bedrieglijke manier te gedragen om daarmee aan de predatie door insectenetende vogels te ontkomen.
Knelpunten: het leven in een lage populatiedichtheid houdt in dat de vlinders in staat moeten zijn hun schaarse partners visueel op te sporen en dit wordt mogelijk als het landschap voor de vlinders een logische samenhang vertoont en een groot aantal geschikte voortplantingsplekken biedt.
HABITAT
Macroschaal: loofbos met open plekken en plaatselijke ondergroei van kamperfoelie
Mesoschaal: vochtig eiken-beukenbos (Querco-Fagetea) en elzenbroekbos (Alnion glutinosae), vooral op plaatsen waar een gradiënt daartussen optreedt.
Microschaal: open plekken zoals rond dode of kwijnende bomen met kamperfoeliebegroeiing gelegen in de halfschaduw.
Structuren: ruimtelijk mozaïek van geschikte plekken, versterkt door lintvormige samenhang zoals in beekdalen en aan bosranden.
BEHEER
landschapsplanning op macro en mesoschaal, uitkap op microschaal en ontzien van bestaande geschikte locatie bij bosexploitatie. Aanbevolen minimaal te reserveren ruimte voor een duurzaam behoud van een populatie 16 ha.
Keywords
Natuurbeheer, Thijsse
