Loofbos
In een gematigd klimaat kan op ieder plaats waar de bodem voldoende droog en vruchtbaar is en het niet te hard waait, een loofbos ontstaan. Een loofbos is opgebouwd uit drie etages, de mos en kruidlaag op de bodem, de struiklaag die rijk tot ongeveer 6 m hoogte en de kroonlaag van de grote bomen die tot 30 m hoogte kan rijken. Aan de hoogte die de bomen op in het landschap kunnen bereiken is de mildheid van het klimaat en de vruchtbaarheid van de bodem af te leiden.
Fysiotoop. Loofbossen komen voor op bodems die bestaan uit zand, zavel, löss, klei of verweerde kalk. Het macroklimaat bepaalt daarnaast de soortensamenstelling van een loofbos.
Ecotoop. Een bos heeft een eigen mesoklimaat dat gedempt is ten opzicht van het macroklimaat. De nachten zijn er warmer, de dagen koeler, de wind wordt sterk afgezwakt en de luchtvochtigheid is er hoger. In de zomer wordt het meeste zonlicht in de kroonlaag onderschept en gebruikt voor de fotosynthese. In de winter en voorjaar wanneer er geen blad aan de bomen zit, dringt er veel licht tot op de bodem door en kan er een uitbundige groei van voorjaarsplanten optreden. Gedurende de zomer verkeert de bodemflora in een rustfase. In de actuele situatie zijn de meeste bossen feitelijk plantages, de ordening in de groeiplaatsen en soorten is er door de mens bepaald. De flora op de bodem biedt in deze gevallen nog de beste aanwijzing voor het karakter van het natuurlijke bos dat op de betreffende plek zou zijn aangetroffen.
Biotoop. Langs rivieren kan op vruchtbare gronden een galerijbos van wilgen en populieren groeien (Salicetea purpurea), op de rijke gronden die niet te nat en niet droog zijn een dicht bos van eiken en beuken (Querco-Fagetea) en op de armere bodems een vrij open bos van eiken en berken (Quercetea robori-petraeae). Bossen hebben een specifiek onderdeel, namelijk verrottend of dood hout waar de opgeslagen energie weer vrij komt door de activiteiten van een leger aan bacteriën, schimmels en insecten. Deze organismen vormen de basis voor een voedselketen die doorloopt tot insectenetende vogels zoals spechten.
Habitat. De drie verschillende etages in de vegetatie worden bevolkt door respectievelijk grond, struik en kruinbewoners. Op de bosbodem treden op microschaal plaatselijke verschillen op die het gevolg zijn van het afsterven van een boom waardoor er ter plaatse meer zonlicht de bodem bereikt en verrijkt wordt met de afvalproducten van de verterende boom. Dergelijke plekken worden bevolkt door tal van dieren die in staat zijn dergelijke gunstige plekken op te sporen en deze een aantal jaren te benutten. De struiklaag is vooral het domein van bladetende insecten die aangewezen zijn op het milde mesoklimaat en de kroonlaag van een groot aantal insectenetende vogels en insecten die de zee aan blad als voedselbron benutten. Het landschap van de kroonlaag is voor deze dieren van bovenaf gezien als van een heuvellandschap en de positie van een zeer grote boom werkt als een opvallende heuveltop en wordt zondanig als oriëntatiepunt benut.
Insectensoorten IJsvogelvlinder, vliegend hert